~~~~
Carol was slingers aan het ophangen op de veranda voor haar verjaardagsfeest. Om zeven uur zouden haar eerste gasten komen en zouden ze met zijn allen gezellig gaan barbecuen. Maar voor dat dat zover was, zouden Emma en Jim komen om haar te helpen met de versiering en taarten bakken. Carol had een liedje in haar hoofd en ze neuriede het wijsje vrolijk. Ze keek op naar de tuin, om te kijken of er wel genoeg plek was, zodat al haar vrienden konden zitten. De stoelen moesten nog uit het schuurtje gehaald worden, dat kon Jim mooi doen als hij er was. Een geluid bij het tuinhek trok plotseling haar aandacht. Eerst dacht ze dat het Emma en Jim waren, die zouden rond deze tijd wel arriveren. Daarna dacht ze dat het de kat was, die over de bramenstruiken was gesprongen. Maar het waren haar vrienden, noch de kat. Bovendien, als ze er over nadacht, klonk het niet als iets dat binnenkwam of viel. Het klonk meer als een soort gesis, alsof er iets aan het verbranden was. Ze keek even naar de barbecue, maar die stond nog niet aan.
‘Tommy, als jij dat bent, kom uit die bosjes!’ riep ze naar niemand. Want Tommy, haar half idiote broertje, kwam niet uit de struiken gekropen. Vluchtig keek ze om te zien of ze ergens vuur zag, of zelfs maar een beetje rook, maar er was nergens iets te bekennen. Carol liep van de veranda af naar de struik. Daar, onder de beschutting van de boom van de buren, lag een klein vogeltje. Zijn snaveltje lag richting de droge aarde. Hij was waarschijnlijk van een tak gevallen en doordat hij tussen de takjes doorviel maakte hij dat geluid, dacht Carol. Er was geen vuur geweest, geen as, niet eens een schroeiplek. Er was niets aan de hand. Heel voorzichtig, om zich niet aan de scherpe bramenstruik te prikken, stak Carol haar hand uit naar het vogeltje en pakte hem. De weinige veertjes die het vogeltje had, waren goud van kleur met hier en daar wat rode verkleuringen. Carol dacht dat het bloed was, maar toen ze beter keek, zag ze dat het erbij hoorde. Het vogeltje was net zo groot als haar hand. Het had een zwarte, lange snavel die uitliep in een scherpe punt, klauwen die veel te groot voor hem leken en een lange staart. Carol had dit soort vogels nog nooit gezien, maar zelfs al wist Carol niet wat voor soort vogel dit was, ze wist dat het nog maar een kuiken was en dat hij hier niet zomaar kon blijven liggen. Waar was zijn moeder? Was zij weggevlogen? Had ze haar pasgeboren kuiken zomaar achtergelaten op de grond onder de bramenstruiken? Het jonge vogeltje tjirpte, maar zijn piepende geluidje klonk zwak en zijn oogjes waren nog steeds gesloten. Er was wel iets gebeurt. Want op het moment dat het vogeltje tjirpte, precies op dat moment, wist Carol dat ze voor hem moest zorgen. Wat er ook gebeurde.
Carol nam het kuikentje voorzichtig in haar handen en liep terug het huis in. Ze wist dat Tommy een vogelkooi in de kast van zijn kamer had staan. Hij had hem toch niet meer nodig. Ooit had er een parkiet in gezeten, maar dat was al jaren geleden. Carol’s ouders hadden tegen tommy gezegd dat hij de kooi moest verkopen of weg gooien. Carol was blij dat hij dat niet had gedaan, aangezien ze hem nu nodig had. En nu? vroeg Carol zich af terwijl ze de kooi naar haar eigen kamer nam en het vogeltje er in legde. Hoe moest ze voor hem zorgen? Wat aten de meeste vogeltjes? Beestjes? Misschien was het diertje wel gewond? Hoe kon ze dat zien? Het vogeltje gedroeg zich niet vreemd alsof hij pijn had. Hij sliep. Leefde hij nog wel? Ja, want zijn kleine buikje ging zachtjes op en neer. Op het moment dat Carol besloot het er zo bij te laten, riep haar broertje naar boven, om te zeggen dat haar vrienden er waren. Het vogeltje opende zijn oogjes en begon vrolijker te tjirpen. Kleine zwarte kraaloogjes had hij. Nadat Carol had beloofd om met eten terug te komen, zodra ze de kans kreeg, ging ze naar beneden om haar vrienden te begroeten.