Navigation

2012-09-11

Hoofdstuk 1 deel 2 lezen uit Phann's Vogel


~~~~

Carol was slingers aan het ophangen op de veranda voor haar verjaardagsfeest. Om  zeven uur zouden haar eerste gasten komen en zouden ze met zijn allen gezellig gaan barbecuen. Maar voor dat dat zover was, zouden Emma en Jim komen om haar te helpen met de versiering en taarten bakken. Carol had een liedje in haar hoofd en ze neuriede het wijsje vrolijk. Ze keek op naar de tuin, om te kijken of er wel genoeg plek was, zodat al haar vrienden konden zitten. De stoelen moesten nog uit het schuurtje gehaald worden, dat kon Jim mooi doen als hij er was. Een geluid bij het tuinhek trok plotseling haar aandacht. Eerst dacht ze dat het Emma en Jim waren, die zouden rond deze tijd wel arriveren. Daarna dacht ze dat het de kat was, die over de bramenstruiken was gesprongen. Maar het waren haar vrienden, noch de kat. Bovendien, als ze er over nadacht, klonk het niet als iets dat binnenkwam of viel. Het klonk meer als een soort gesis, alsof er iets aan het verbranden was. Ze keek even naar de barbecue, maar die stond nog niet aan.
‘Tommy, als jij dat bent, kom uit die bosjes!’ riep ze naar niemand. Want Tommy, haar half idiote broertje, kwam niet uit de struiken gekropen. Vluchtig keek ze om te zien of ze ergens vuur zag, of zelfs maar een beetje rook, maar er was nergens iets te bekennen. Carol liep van de veranda af naar de struik. Daar, onder de beschutting van de boom van de buren, lag een klein vogeltje. Zijn snaveltje lag richting de droge aarde. Hij was waarschijnlijk van een tak gevallen en doordat hij tussen de takjes doorviel maakte hij dat geluid, dacht Carol. Er was geen vuur geweest, geen as, niet eens een schroeiplek. Er was niets aan de hand. Heel voorzichtig, om zich niet aan de scherpe bramenstruik te prikken, stak Carol haar hand uit naar het vogeltje en pakte hem. De weinige veertjes die het vogeltje had, waren goud van kleur met hier en daar wat rode verkleuringen. Carol dacht dat het bloed was, maar toen ze beter keek, zag ze dat het erbij hoorde. Het vogeltje was net zo groot als haar hand. Het had een zwarte, lange snavel die uitliep in een scherpe punt, klauwen die veel te groot voor hem leken en een lange staart. Carol had dit soort vogels nog nooit gezien, maar zelfs al wist Carol niet wat voor soort vogel dit was, ze wist dat het nog maar een kuiken was en dat hij hier niet zomaar kon blijven liggen. Waar was  zijn moeder? Was zij weggevlogen? Had ze haar pasgeboren kuiken zomaar achtergelaten op de grond onder de bramenstruiken? Het jonge vogeltje tjirpte, maar zijn piepende geluidje klonk zwak en zijn oogjes waren nog steeds gesloten. Er was wel iets gebeurt. Want op het moment dat het vogeltje tjirpte, precies op dat moment, wist Carol dat ze voor hem moest zorgen. Wat er ook gebeurde.

Carol nam het kuikentje voorzichtig in haar handen en liep terug het huis in. Ze wist dat Tommy een vogelkooi in de kast van zijn kamer had staan. Hij had hem toch niet meer nodig. Ooit had er een parkiet in gezeten, maar dat was al jaren geleden. Carol’s ouders hadden tegen tommy gezegd dat hij de kooi moest verkopen of weg gooien. Carol was blij dat hij dat niet had gedaan, aangezien ze hem nu nodig had. En nu? vroeg Carol zich af terwijl ze de kooi naar haar eigen kamer nam en het vogeltje er in legde. Hoe moest ze voor hem zorgen? Wat aten de meeste vogeltjes? Beestjes? Misschien was het diertje wel gewond? Hoe kon ze dat zien? Het vogeltje gedroeg zich niet vreemd alsof hij pijn had. Hij sliep. Leefde hij nog wel? Ja, want zijn kleine buikje ging zachtjes op en neer. Op het moment dat Carol besloot het er zo bij te laten, riep haar broertje naar boven, om te zeggen dat haar vrienden er waren. Het vogeltje opende zijn oogjes en begon vrolijker te tjirpen. Kleine zwarte kraaloogjes had hij. Nadat Carol had beloofd om met eten terug te komen, zodra ze de kans kreeg, ging ze naar beneden om haar vrienden te begroeten.

2012-09-08

Het eerste deel van het eerste hoofdstuk: Phann's Vogel

Deel 1: De Feniks.
Hoofdstuk 1: Verjaardag Verrassingen.

Toen ik dertien jaar oud was, verhuisden mijn vader en ik naar een kleiner huis in een dorp buiten de stad. Mijn vader kon het luxe vijf-kamer appartement met dakterras niet meer veroorloven toen hij vanwege de economische crisis ontslagen werd. Mijn vader was de enige die een inkomen had bij ons thuis. Mijn moeder was niet meer bij ons. Ik heb haar nooit gekend. Mijn vader wilde er niet zo veel over loslaten. ‘Ze is er niet meer,’ zei hij altijd als ik er naar vroeg. Niets meer dan dat. Ik werd overgeplaatst naar een andere school. vijf kilometer op de fiets met een zware boekentas was niet zo erg toch? Ik bedoel, heel veel kinderen van mijn leeftijd deden dat. Dat was wel even anders op mijn vorige school. Daar stopte een stadsbus vlak voor de deur van de school en een metrohalte was vlak om de hoek. Op mijn nieuwe school ontmoette ik Carol. Zij was iemand die je, als je haar voor het eerst zag, zou omschrijven als een van de populaire meisjes. Ze werd altijd omringd door een grote groep mensen. In eerste instantie moest ik niets van dit soort mensen hebben, maar Carol was anders. Daar kwam ik achter toen ik met de les aardrijkskunde naast haar moest gaan zitten. Ze was zo aardig tegen mij. Totaal niet arrogant. Ze wilde alles van mij weten, waar ik vandaan kwam, wat mijn hobby’s waren, wat voor muziek ik leuk vond. En zij beantwoordde daarop elke vraag vol enthousiasme die ik haar stelde, totdat de leraar zei dat we stil moesten zijn en ons moesten richten op verschillende aardsoorten. Later die week ontmoette ik Jim. Een verlegen jongen met muis blond haar en een lang gezicht. Tijdens de pauze zat hij in zijn eentje aan een tafel te lezen. Toen ik bij hem aan tafel ging zitten wilde hij opstaan, maar ik zei dat hij mocht blijven zitten en dat deed hij. Carol en haar vriendengroep kwamen bij mij zitten en ik zag de ogen van Jim paniekerig richting de uitgang schieten. Maar na drie kwartier, toen de pauze was afgelopen, kwam hij er net zoals ik achter dat deze groep kinderen heel vriendelijk waren. Hij lachte en hij praatte mee met de rest, alsof ze al jaren vrienden waren. En zo ontmoette ik mijn twee nieuwe beste vrienden. Een luxe die ik op mijn vorige school niet had, alleen vanwege het feit dat ik niet tot de (enorm grote) populaire groep behoorde. Het is misschien raar, maar er zat een goede kant aan mijn vaders ontslag. Met mijn vader ging het ook weer helemaal prima. Hij kreeg een nieuwe baan bij een elektronica zaak aangeboden en ook al verdiende hij een hele hoop minder dan toen we nog in de stad woonden, we waren in ieder geval gelukkig. Carol, Jim en ik trokken steeds vaker met elkaar op. In de pauze zaten we met zijn drieën samen en af en toe planden we een tripje naar de stad, zodat ik al mijn favoriete plekjes aan hun kon laten zien. Met feestjes en verjaardagen waren zij de eerste die kwamen en de laatste die weggingen. We waren beste vrienden geworden. Ik kan mij die gelukkige dagen nog goed herinneren. En op twintig augustus, Carols zestiende verjaardag, spraken Jim en ik, zoals altijd af, om samen naar Carols huis toe te gaan. De dag dat alles begon te veranderen.

2011-10-30

About Phann, my World.

Een korte geschiedenis.
Phann ligt in een parallelle wereld die alleen kan worden toegetreden door een poort van de goden. Het is een continent met vijf verschillende landen. Het heeft een aantal goden, elk in een verschillende vorm en elk heeft andere functies. Sommige zijn vogels, zoals uilen, kraaien en een feniks, sommige van de goden zijn elven, sommige hebben de vorm van een monsterlijke orkaan. Er zijn zelfs een aantal menselijke goden in deze wereld, alhoewel ze wel onsterfelijk zijn.
Phann is in verschillende aspecten veel meer geavanceerd dan onze wereld. Nee, ze leven niet in een digitaal tijdperk, zoals wij, maar de mensen hebben betere alternatieven gevonden voor electriciteit en transportatie. De lucht is nog heel schoon en puur.
Het continent is verdeeld tussen vijf verschillende landen:
Het land Osterlynna, het land van de rivieren en de bossen.
Braelland, het land van de bergen een de dappere mensen.
Het eiland Carleopa, het eiland waar alle sprookjes vandaan komen.
De eilanden der Profetieën, de zes eilanden waar de onsterfelijken leven. Elk van deze eilanden hebben een naam, die alleen hun eigenaar weet.
En als laatste Mosethan, het enige land zonder zijn eigen god. Ooit was er wel een god, maar een man genaamd Moseth was in staat om de god te doden en zichzelf op de troon van dit eiland te zetten. Sindsdien hebben de mensen (uit de andere landen) dit land zo veel mogelijk gemeden.




A Brief History.
Phann lies in a parallel world which can only be accessed through a portal of the gods. It´s a continent with five different countries. It´s got several gods, each in a different shape and each got separate duties. Some are birds, like owls, crows and a phoenix, some of the gods are elves, some are shaped like monstrous hurricanes. There are even some human gods in this world, though they are immortal.
Phann is in some aspects way more advanced than our world. No, they do not live in a digital age, like us, but the people have found better alternatives for electricity and transportation. The air is still very clean and pure.
The continent is divided between five different countries: 
The land of Osterlynna, the land of the rivers and the forests. 
Braelland, the land of the mountains and the courageous men. 
The isle of Carleopa, the island where all fairy-tales come from.
The islands of the prophets, the six islands is where the immortals live. Each of these islands has a name that only its owner knows.
And finally Mosethan, the only land without a god of its own. Once there was a god, but a man named Moseth, was able to kill the god and set himself upon the throne of this land. People (from the other countries) therefore have been avoiding the land of Mosethan ever since.



De Legende van het Zwaard.
Er is een legende in Phann. En het draait allemaal om een zwaard. Carleopa, Braelland en Osterlynna stonden allemaal onder de hoede van 1 god. Een god in de vorm van een feniks. De eilanden der profetieën hadden allemaal een eigen god, maar ze hadden 1 grote god die boven hun allemaal stond. Hij woonde op het grootste eiland genaamd Dandrasta, dat nu bekend staat als Mosethan. De grote god had ooit, zo'n kleine tweeduizend jaar gelede, een zwaard. Het zwaard was gesmeed in het vuur van een stervende feniks, diens naam Aodh was. De feniks vertrouwde de grote god met het zwaard toe. Vijfhonderd jaar later kwam het nieuws aan in Braelland. Thuisland van een jongeman genaamd Moseth. Moseth was een tovenaar en had een diep verlangen naar macht. Want hij had helemaal niets. Hij was de zoon van boeren, wonend in een kleine houten hut buiten de stad Braehall. Toen hoorde hij van het machtige zwaard over de zee. Het zwaard zou hem de macht  geven die hij verlangde. Gecombineerd met de kracht van het zwaard en zijn tovenarij, zou hij een onsterfelijke kunnen doden. De grootse onsterfelijke aller tijde.
...

The Legend of the Sword. 
There is a legend in Phann. And it all turns around one sword. Carleopa, Braelland and Osterlynna all are under the watch of one god. A god in the shape of a Phoenix. The islands of the prophets all had their own gods, but they had only one great god, who stood above them all. He lived on the largest island of Dandrasta, now known as Mosethan. The great god once, about two-thousand years ago, had a sword. That sword was forged with the fire of the dying phoenix, whose name was Aodh, who trusted the great Immortal with the sword. Five-hundred years later came the news to Braelland. Home of a young man named Moseth. Moseth was a sorcerer and deeply craving for power. For he had nothing. He was just the son of peasants, living in a small wooden cottage outside the city of Braehall. Then he heard about the most powerful sword overseas. The sword would give him immense power, and combined with his sorcery he could therefore kill an immortal. The greatest immortal of all times. Fifty year went by, the young man was growing old. But over the years he had built an army and finally he made his way to the isle of Dandrasta, where he would meet the great Immortal, take his sword and kill him. Moseth crowned himself king and he built a stone city on the place where he killed the great Immortal. The city is called Creseq Moseth, Moseth´s city when translated. But now that Moseth finally had what he wanted, he was still not satisfied, he could feel that his end was nigh, and he did not have an heir. There was a young girl, not much older than eighteen, she was the youngest daughter of  the great immortal. Moseth kept her alive, because he knew she would come in handy one day. She bore him a son and Moseth killed her. He raised his son on his own, teaching him about everything there was to know about tyranny. When the boy was sixteen, he killed his father and took the phoenix-sword. Since then, every heir of Moseth had been a tyrant. But one night, on the dawn of the twentieth birthday of king Riseth, the third heir of Moseth, rebels of different lands came sneaking into his room and took the sword. Nobody knows what happened next. The sword was lost, no one could find it. Some say the phoenix took it, some say it was cast into the deepest point of the ocean. And some say it is still there, waiting for its rightful owner to pick it up again and to free Mosethan from tyranny.